Heen-en-weer-schriftje

Nu het rapport na de proefwerken van het tweede trimester van mijn zoon van 13 binnen is, pleit ik voor het herinvoeren van het heen-en-weer-schriftje zoals ik dat kende van de kinderopvang. “Hij was vandaag een beetje stout en heeft andere kindjes gebeten”, en daarop konden wij reageren.

In de eerste graad van de middelbare school vervallen de vakleerkrachten en vooral de klasleerkracht tot eenrichtingscommunicatie. Ouders worden daarna uitgenodigd op een oudercontact waar de opmerkingen nog eens luidop worden voorgelezen. En dan wordt verwacht dat we daar iets mee zullen doen.

De kwaliteit van het onderwijs gaat omlaag, dat valt niet te ontkennen. Anderzijds evolueert de samenleving ook. En het onderwijs is marginaal geëvolueerd de afgelopen 45 jaar, toen ik als primus in de middelbare school zat. Ik denk dan vooral aan de “hoofdvakken” – waarvan ik de term in twijfel trek in de huidige maatschappij – waar wiskunde nauwelijks veranderd is en Frans (met alle respect voor ons tweetalig land) nog steeds een woordenschat laat instuderen die dezelfde is als in het vorige decennium: leer het woord ‘mocassin’ maar eens in 2026 als Skechers het heeft over slip-ins.

De vakleerkracht moet natuurlijk het leerplan volgen en helpen de uitgevers van de invulboeken winstgevend te houden. Tegelijk hoop ik dat deze leerkracht ook even stilstaat bij de zinloosheid van sommige van de oefeningen en vaardigheden. Nog steeds kan een jongere na vijf jaar “hoofdvak” Frans geen conversatie volgen, laat staan voeren.

Het rapport meldt dat onze zoon de les stoort en daardoor niet aandachtig is en bijgevolg het woord mocassin niet juist heeft op het proefwerk!

Is het geen tijd voor een heen-en-weer-schriftje? Of liever nog: een 360 graden-gesprek, waar we eerlijk kunnen zijn tegen elkaar?

“Je vous prie d’agréer, Madame, Monsieur, l’expression de mes salutations distinguées”

Is dit waar u blijft hangen?

Staking postbodes

Ik begrijp de postbodes wel. Door de reorganisatie die men wil doorvoeren veranderen de uurroosters. De postbode zou dan wat later beginnen werken en kan dus wat langer slapen. Klinkt goed.

Wie voor het beroep van postbode gekozen heeft, heeft vaak gekozen voor de vroege uurroosters. Enkele jaren geleden was dat trouwens nog een van de argumenten die het postbedrijf in zijn flyers in de verf zette.

De postbode heeft in de vroege middag gedaan met werken en kan dus daarna sporten (er zijn renners die begonnen zijn als postbode), een dutje doen, in de tuin werken, vrijwilligerswerk doen (naschoolse opvang, busbegeleiding voor kinderen), zorg in het gezin opnemen, of bijklussen.

Zelf ben ik in contact geweest met een postbode die in de namiddag na zijn ronde zijn tweede ronde begon als ijsjesverkoper. In contact gekomen is in de context wel letterlijk te nemen. Het was een hard contact die zaterdagmiddag in mei 2019 toen de ijscokar links indraaide en mij als tegenligger op mijn motor niet zag aankomen. Ik ben met lichte verwondingen afgevoerd naar het ziekenhuis en kon na tien weken het werk hervatten.

Op de postbode zijn ijsjesronde nog hervat heeft weet ik niet.

Reclameterrorisme

Dat privébedrijven zoals Immoscoop me terroriseren met deuntjes die me het slapen niet gunnen – oorwurmen zouden werken volgens de reclamemakers – ergert me.

Dat de vrt nu net hetzelfde doet vind ik nog erger. “Kom van dat gat af”! Wie bedenkt zoiets? De 60-plussers die het liedje van Peter Koelewijn moesten aanhoren als klein kind bij zattenonkelsfamiliefeesten, de ouderen van dagen die het liedje van 1960 meezingen in het woonzorgcentrum zijn niet de doelgroep van de campagne (denk ik). Hip? Hop weg ermee. Op naar 2 april en laat je gaan, lach, schater, zing en help wie van zijn stoel valt, wie van gat geeft, was je voeten: het is Witte Donderdag, de dag voor Goede Vrijdag. Laat het ophouden daarna.

Zandloper

In De Wereld Vandaag op Radio 1 hoorde ik van motivatiepsycholoog Maarten Van Steenkiste de ultieme tip om vol te houden met korter douchen – een mooi voornemen om minder energie te verbruiken en ook al veelvuldig aanbevolen tijdens de vorige energiecrisistipsperiode. Eens onder de douche stroomt het warme water zo goed dat je het voornemen op dat moment zou kunnen vergeten in het heetst van het genieten. Gedragsverandering vergt soms eenvoudige hulpmiddelen. Dus de tip: zet een zandloper.

Ikzelf had eerder gedacht aan een timer op mijn iPhone, of een playlist die na twee minuten stopt, maar neen, een zandloper dus. Voordeel is dat die geen elektriciteit verbruikt, logische keuze dus.

Zelf zit ik nu in een vakantiehuisje en hangt de prijs niet af van hoe warm ik mijn huisje verwarm of hoe lang ik onder de douche sta.

Het solidariteitsprincipe dat professor Van Steenkiste in datzelfde gesprek aanhaalt indachtig, neem ik nog even de auto (elektrisch, dankzij de financiële stimulans van Open VLD, maar dat is een ander item in hetzelfde gesprek) naar Sluis, de dichtstbijzijnde stad met veel winkels om een zandloper te kopen.

Normaal neem ik alleen ’s morgens een douche, maar om deze tip te vieren maak ik een uitzondering om na deze koude winderige stadszoektocht mijn zandloper in te zetten voor een korte avonddouche.

Ik geniet van het warme water, vergeet de tijd, de zandloper geeft geen alarm. De doucheruimte is intussen zo aangedampt dat ik de zandloper niet meer kan ontwaren. Ik droog me, doe de deur open, zet mijn bril op en zie dat het zand nog niet is doorgelopen. Zandlopers doen het niet altijd in een vochtige ruimte.

Groen autootje alweer

De wind vanaf de Zeeuwse kust streek zacht langs de parkeerplaats van de Albert Heijn Oostburg toen ik mijn kofferbak dichtklapte. Een stokbrood, wat beleg—meer had ik niet nodig. Toch had ik weer een winkelkarretje gepakt.

“Waarom doe ik dat eigenlijk?” mompelde ik tegen mezelf.

Toen zag ik het.

Een klein, groen autootje. Alsof het zo uit de jaren vijftig was weggereden en hier per ongeluk was blijven staan. Het lakwerk glansde zacht in het middaglicht, rondingen alsof iemand ze met de hand had getekend. Het stond daar… een beetje eigenwijs.

Ik bleef staan, mijn hand nog half op de kofferbak.

“Wat ben jij dan?” fluisterde ik.

Ik keek om me heen. Niemand in de buurt. Even overwoog ik dichterbij te lopen, een blik naar binnen te werpen. Misschien zelfs het logo lezen.

Maar achter me piepte het winkelkarretje.

Ik zuchtte. “Eerst dit ding wegbrengen.”

Toen ik terugliep van de karretjesopvang, voelde het al anders. Alsof ik iets gemist had nog vóór het gebeurd was.

De auto was niet meer alleen.

Een man stond ernaast. Begin dertig, nette jas, ontspannen houding. Hij keek niet op toen ik dichterbij kwam. Hij stapte in, alsof hij precies wist dat hij bekeken werd—en het hem niets kon schelen.

Ik aarzelde.

“Mooi autootje,” zei ik uiteindelijk, iets te zacht.

Hij keek op, glimlachte vluchtig. “Dank je.”

Zijn hand draaide de sleutel. De motor kwam tot leven met een zacht, bijna beschaafd gebrom.

“Wat is het voor een—” begon ik.

Te laat.

Hij reed al weg.

“Wacht—!” riep ik nog, maar het geluid van de motor slikte mijn stem in.

In een reflex pakte ik mijn telefoon en maakte een foto, net voordat hij de parkeerplaats af draaide. Het groene autootje werd kleiner, verdween de hoek om.

Stilte.

Ik keek naar het scherm. Mijn eigen auto—groot, modern—stond ernaast als een log gevaarte. En daar, bijna bescheiden, dat groene ding.

“Fantastisch,” mompelde ik. “Gemist.”


Die avond zat ik op de bank in mijn huisje in Nieuwvliet-Bad, telefoon in mijn hand.

“Oké,” zei ik hardop. “Wat ben jij?”

Ik uploadde de foto.

“Dit lijkt op een Autobianchi,” verscheen er.

“Hmm…” Ik kneep mijn ogen samen. “Weet je dat zeker?”

Ik probeerde een andere AI.

“Panhard Dyna, ongeveer 40 pk.”

“Veertig pk?” lachte ik. “Dat is niks.”

Nog een poging.

“Dit is waarschijnlijk een Trabant.”

Ik leunde achterover. “Nou, dat helpt.”

Weer een reactie:

“NSU Prinz.”

Ik staarde naar het scherm.

“Jullie verzinnen het gewoon,” zei ik droog. “Allemaal.”

Het bleef stil in het huisje, alleen het zachte ruisen van de wind buiten.

Mijn blik gleed terug naar de foto.

Dat autootje.

Die man.

Dat moment.

Ik stond op en liep naar het raam. In de verte lag de weg naar Oostburg, donker en leeg.

“Dertig seconden,” zei ik zacht. “Meer had het niet hoeven zijn.”

Ik pakte mijn sleutels van tafel.

“Oké,” zei ik tegen mezelf. “Nog één keer.”


De volgende ochtend stond ik weer op de parkeerplaats van de Albert Heijn Oostburg.

Zonder winkelkarretje dit keer.

Ik leunde tegen mijn auto en keek rond.

Niets.

Tien minuten gingen voorbij.

Vijftien.

Net toen ik wilde instappen, hoorde ik het.

Een zacht, herkenbaar gebrom.

Mijn hart sloeg een slag over.

Langzaam draaide ik me om.

Vanachter de hoek rolde het groene autootje de parkeerplaats op.

Het stopte. De motor bleef draaien.

De man keek recht naar mij, alsof hij me herkende.

Het raampje ging naar beneden.

“Je had gisteren een vraag,” zei hij.

Ik liep naar hem toe, mijn hart sneller dan nodig.

“Ja,” zei ik. “Wat voor auto is dit?”

Hij glimlachte, een tikje geheimzinnig.

“Stap in,” zei hij. “Dan vertel ik het onderweg.”

Ik bleef even staan.

De motor bromde zacht, geduldig.

De lege passagiersstoel keek me aan.

Geen winkelkarretje. Geen afleiding.

Alleen een keuze.

“Nou?” zei hij.

Ik opende de deur.

Brommetje en de Grote Witte Reus

Er was eens een heel klein, groen autootje dat Brommetje heette. Brommetje was een Goggomobil. Hij was zo klein dat hij bijna onder een keukentafel paste, en hij had ronde koplampen die eruitzagen als grote, verbaasde ogen. Brommetje was al heel oud, wel zeventig jaar, maar zijn lak blonk nog net zo groen als een vers blaadje in de lente.

Op een zonnige dag in het dorpje Oostburg stond Brommetje te wachten op de parkeerplaats van de supermarkt. Naast hem kwam een enorme, glimmende witte auto staan. Het was een Tesla, een soort ruimteschip op wielen.

“Zo hé,” fluisterde Brommetje tegen zijn eigen zijspiegel. “Wat is die groot! Ik pas wel drie keer in zijn kofferbak!”

De zoektocht van de chauffeur

In de witte auto zat een meneer die een beetje vergeetachtig was. Hij moest een stokbroodje kopen, maar hij nam een veel te grote winkelwagen mee. Terwijl de meneer binnen was, praatten de auto’s met elkaar.

“Hé Kleintje,” zoemde de witte Tesla zachtjes. “Waarom ben jij zo groen?” “Omdat ik een bosgeestje op wielen ben,” grapte Brommetje. “En waarom ben jij zo stil?” “Ik rijd op elektriciteit en computers,” zei de Tesla trots. “Ik heb wel 400 paardenkrachten!” Brommetje lachte. “Ik heb maar twintig kleine pony-krachten, maar ik maak wel een veel leuker geluid!”

Het raadsel

Toen de meneer met zijn stokbroodje naar buiten kwam, zag hij Brommetje staan. “Wauw,” dacht de meneer. “Wat een prachtig autootje. Is het een Autobianchi? Of een Trabant?” Hij wist het niet meer! Hij maakte snel een foto met zijn telefoon.

Net op dat moment stapte er een vrolijke meneer in Brommetje. Hij draaide de sleutel om en Brommetje begon te zingen: Reng-teng-teng-teng! Met een wolkje blauwe rook en een dapper geluid reed het groene autootje weg, over de weg naar Nieuwvliet-Bad.

De Slimme Computer

De meneer in de witte Tesla bleef maar puzzelen. Hij vroeg het aan drie verschillende computers.

  • De eerste computer zei: “Het is een Franse auto!”
  • De tweede computer zei: “Het is een Duitse Trabant!”
  • Maar de derde computer, die heel goed kon kijken, riep: “Welnee! Het is een Goggomobil Coupé!”

De meneer glimlachte. Hij wist nu eindelijk de naam van zijn kleine groene vriend. De volgende keer dat hij naar de winkel ging, liet hij zijn grote winkelwagentje staan. Want wie weet… als hij sneller bij zijn auto was, mocht hij misschien wel een keertje meerijden met Brommetje.

Want groot of klein, op de weg zijn we allemaal vrienden.

Groen autootje

Ik ben weer eens in Nieuwvliet-Bad, mijn halfjaarlijkse retraite. De tijd dat ik tot rust kan komen.

Dat mijn middellange termijngeheugen me niet in de steek liet vandaag vond ik een heel speciale ervaring: ik dacht enkele seconden na over de plaats waar de AH is en ik wist het meteen. Torenweide. Torenweidelaan in Oostburg. Kwartiertje van hier. Voor een stokbrood en beleg voor vanmiddag.

Met mijn winkelkar – ja ook voor een paar spulletjes neem ik een winkelkarretje – laad ik de drie etenswaren in mijn koffer (trunk), en zie een schattige buurautootje.

Ik breng mijn winkelkarretje naar de winkelkarretjesopvang en de auto is niet meer alleen.

Een man, een stijlvolle dertiger, stapt in de auto en rijdt met een zacht brullend geluidje weg. Stiekem maak ik een foto net voor hij wegrijdt, kijk nog na maar kan het merk van het autootje niet lezen. Jaren 50 of 60 stijl.

Waarom moet ik voor een paar spulletjes een winkelkarretje nemen en wegbrengen? Ik had een dertigsecondengesprek met hem kunnen hebben, of minuten, of in het autootje kunnen binnenkijken, of meerijden.

Mijn auto op de foto naast de groene oldtimer ziet er zo groot uit. En ik ben blij dat hij ook mooi blinkt voor op de foto.

Benieuwd vraag ik aan ChatGpt welke auto het is. Een Autobianchi. Grok zegt een Panhard Dina 40 pk (dat is ongeveer een tiende van het vermogen van mijn Tesla – maar dat doet er niet toe). Ik koppel terug naar ChatGpt en nu is het een Trabant. Grok ontkent en bevestigt zijn/haar/hun (Grok weigert gender, alweer terzijde) Panhard. ChatGpt beweert nu dat het een NSU Prinz is. Als ik naar het logo vraag: een Trabant.

Leve AI!

Is er een oldtimerliefhebber die me kan helpen?

Of rij ik deze week elke dag naar de AH in de hoop het autootje terug te zien? Ik neem geen winkelkarretje.

Vandaag reed ik liever naar Knokke om het cartoonfestival te bezoeken.

En toch houdt het me bezig. Dus naar Google Gemini, en die weet het wel, want ik herinner me de letters enigszins die ik zag.

Dit is de auto dus:

Het groene autootje op de foto is een Goggomobil Coupé (type TS).

Het is een bekende “dwergauto” (microcar) uit de jaren 50 en 60, geproduceerd door het Duitse bedrijf Hans Glas GmbH. Op de voorkant van de auto (net boven de grille) kun je in het chroom ook de naam “Goggomobil” zien staan als je goed inzoomt.

Hier zijn een paar leuke details over deze auto:

  • Formaat: Het contrast met de witte Tesla Model 3 laat prachtig zien hoe klein auto’s vroeger waren; de Goggomobil is slechts zo’n 3 meter lang.
  • Motor: De meeste modellen hadden een piepkleine tweecilinder tweetaktmotor van 250cc, 300cc of 400cc.
  • Kenteken: De auto op de foto heeft een Nederlands blauw “oldtimerkenteken”, wat betekent dat hij van vóór 1978 is (gezien het model waarschijnlijk ergens tussen 1957 en 1969).

Idolen

Ik heb twee idolen.
Eén gaat al 45 jaar mee, de andere 15 jaar. De eerste is dood, de tweede zie ik volgend weekend als hij er effectief is en nog leeft.
Mijn eerste idool zag ik voor de eerste keer in Rotterdam – met iemand die ik te zwaar voor mijn schouders toch het beste zicht gaf – en ik blijf dat moment koesteren. Ik zag hem later in Brussel. Hij blijft mijn absolute artiest.
Mijn tweede idool lees ik. Sinds 2009 denk ik. Dankzij een innemende trainer op een minder innemende managementsessie.

Mijn idolen zijn David en Erik.

Acht jaar, halfweg

4 september 2017, eerste werkdag bij de beursvennootschap.

Lowprofile gestart. Met uitzicht op meer. Eventueel vennoot.

Vroeger dan verwacht een tankkaart. Dank hiervoor.

Na de overgang naar Leleux was het perspectief weg. Ik zou bediende blijven.

Het nieuwe paritair comité in voege: geen extra vakantiedag bij anciënniteit. Niet erg.

Na onrustwekkende verdwijning van Lola en miscommunicatie val ik uit.

Ik durf mijn tankkaart niet meer te gebruiken. Ik kom weer werken, parttime en kom aan met mijn elektrische auto.

Een grote investering voor iemand met een bescheiden budget. Gelukkig is er de Vlaamse premie.

Laden is echter niet gratis. De tankkaart gewoon vervangen door een laadkaart lijkt logisch maar komt er niet.

Enkele hints helpen niet: opleidingen in Brussel – waarvoor Leleux 1.000 euro per persoon voorziet en die naar de agent gaan – die me honderden euro kosten voor verplaatsing en parking – geen effect. Boetes zijn mijn fout, geef ik toe.

De centenindex doen me pijn. Ik ben 59, hoogopgeleid, en word hierdoor niet geraakt.

Denk je even met me na?


centenindex/effectentaks

Ik prijs me gelukkig. Hoe zou ik me voelen als ik een beetje loonindex zou verliezen op mijn vermogen moet betalen?

Ik zou klagen. Mijn maandloon stijgt nauwelijks, mijn pensioen van ambtenaar is maar twintig percent hoger dan het gemiddeld inkomen van mijn werkende medeburger en ze vragen om een bijdrage van drieduizend euro per miljoen dat ik eerlijk erfde.

Ik ben vrijgesteld van deze lasten.