De wind vanaf de Zeeuwse kust streek zacht langs de parkeerplaats van de Albert Heijn Oostburg toen ik mijn kofferbak dichtklapte. Een stokbrood, wat beleg—meer had ik niet nodig. Toch had ik weer een winkelkarretje gepakt.
“Waarom doe ik dat eigenlijk?” mompelde ik tegen mezelf.
Toen zag ik het.
Een klein, groen autootje. Alsof het zo uit de jaren vijftig was weggereden en hier per ongeluk was blijven staan. Het lakwerk glansde zacht in het middaglicht, rondingen alsof iemand ze met de hand had getekend. Het stond daar… een beetje eigenwijs.
Ik bleef staan, mijn hand nog half op de kofferbak.
“Wat ben jij dan?” fluisterde ik.
Ik keek om me heen. Niemand in de buurt. Even overwoog ik dichterbij te lopen, een blik naar binnen te werpen. Misschien zelfs het logo lezen.
Maar achter me piepte het winkelkarretje.
Ik zuchtte. “Eerst dit ding wegbrengen.”
Toen ik terugliep van de karretjesopvang, voelde het al anders. Alsof ik iets gemist had nog vóór het gebeurd was.
De auto was niet meer alleen.
Een man stond ernaast. Begin dertig, nette jas, ontspannen houding. Hij keek niet op toen ik dichterbij kwam. Hij stapte in, alsof hij precies wist dat hij bekeken werd—en het hem niets kon schelen.
Ik aarzelde.
“Mooi autootje,” zei ik uiteindelijk, iets te zacht.
Hij keek op, glimlachte vluchtig. “Dank je.”
Zijn hand draaide de sleutel. De motor kwam tot leven met een zacht, bijna beschaafd gebrom.
“Wat is het voor een—” begon ik.
Te laat.
Hij reed al weg.
“Wacht—!” riep ik nog, maar het geluid van de motor slikte mijn stem in.
In een reflex pakte ik mijn telefoon en maakte een foto, net voordat hij de parkeerplaats af draaide. Het groene autootje werd kleiner, verdween de hoek om.
Stilte.
Ik keek naar het scherm. Mijn eigen auto—groot, modern—stond ernaast als een log gevaarte. En daar, bijna bescheiden, dat groene ding.
“Fantastisch,” mompelde ik. “Gemist.”
Die avond zat ik op de bank in mijn huisje in Nieuwvliet-Bad, telefoon in mijn hand.
“Oké,” zei ik hardop. “Wat ben jij?”
Ik uploadde de foto.
“Dit lijkt op een Autobianchi,” verscheen er.
“Hmm…” Ik kneep mijn ogen samen. “Weet je dat zeker?”
Ik probeerde een andere AI.
“Panhard Dyna, ongeveer 40 pk.”
“Veertig pk?” lachte ik. “Dat is niks.”
Nog een poging.
“Dit is waarschijnlijk een Trabant.”
Ik leunde achterover. “Nou, dat helpt.”
Weer een reactie:
“NSU Prinz.”
Ik staarde naar het scherm.
“Jullie verzinnen het gewoon,” zei ik droog. “Allemaal.”
Het bleef stil in het huisje, alleen het zachte ruisen van de wind buiten.
Mijn blik gleed terug naar de foto.
Dat autootje.
Die man.
Dat moment.
Ik stond op en liep naar het raam. In de verte lag de weg naar Oostburg, donker en leeg.
“Dertig seconden,” zei ik zacht. “Meer had het niet hoeven zijn.”
Ik pakte mijn sleutels van tafel.
“Oké,” zei ik tegen mezelf. “Nog één keer.”
De volgende ochtend stond ik weer op de parkeerplaats van de Albert Heijn Oostburg.
Zonder winkelkarretje dit keer.
Ik leunde tegen mijn auto en keek rond.
Niets.
Tien minuten gingen voorbij.
Vijftien.
Net toen ik wilde instappen, hoorde ik het.
Een zacht, herkenbaar gebrom.
Mijn hart sloeg een slag over.
Langzaam draaide ik me om.
Vanachter de hoek rolde het groene autootje de parkeerplaats op.
Het stopte. De motor bleef draaien.
De man keek recht naar mij, alsof hij me herkende.
Het raampje ging naar beneden.
“Je had gisteren een vraag,” zei hij.
Ik liep naar hem toe, mijn hart sneller dan nodig.
“Ja,” zei ik. “Wat voor auto is dit?”
Hij glimlachte, een tikje geheimzinnig.
“Stap in,” zei hij. “Dan vertel ik het onderweg.”
Ik bleef even staan.
De motor bromde zacht, geduldig.
De lege passagiersstoel keek me aan.
Geen winkelkarretje. Geen afleiding.
Alleen een keuze.
“Nou?” zei hij.
Ik opende de deur.